Ik hoor wel eens de opmerking: “je bent proactief of niet”. Daarin klinkt een soort gelatenheid, een aanvaarding; een ‘fait accompli’. Zo van je kunt er toch niks aan doen als je niet proactief bent. Dat zit in je genen wordt er dan gezegd. De vraag is in hoeverre dat waar is. Intuītief voel je wel aan dat de aard van een persoonlijkheid er wel iets mee te maken heeft, maar bij welke persoonlijkheidstypen zie je het dan terug en hoe sterk is dan de invloed van iemands persoonlijkheid op zijn of haar mate van proactiviteit? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst even een stapje terug doen naar hoe je persoonlijkheidstypen in kaart kunt brengen. In een eerdere blog beschreef ik hiervoor het DISC model dat was afgeleid van het werk van C.G. Jung. Alhoewel dit model veel praktisch nut heeft in de zin dat het gemakkelijk te begrijpen en uit te leggen is en dat het helpt om heel snel een inschatting van iemand te maken, is dit in de psychologie niet het meest gebruikte model. Dat model heet The Big Five en is voor het eerst beschreven in 1961 (Tupes and Crystal), waarna het door vele psychologen zowel is bekritiseerd als omarmd. In de loop der jaren is het vervolgens verfijnd. Belangrijk is dat haar validiteit diverse malen opnieuw is onderzocht en telkens weer geldig bleek. Dat gold ook in de meeste andere culturen dan de Westerse. Tegenwoordig is dit 5-factoren model wereldwijd een van de meest gebruikte persoonlijkheidsmodellen in de psychologie.

Big 5 maakt gebruik van 5 factoren. Je kunt deze zien als de vijf grootste gemene delers van bij elkaar horende clusters van karaktereigenschappen. Die vijf factoren zijn:
Neuroticisme (negatieve emotionaliteit; de neiging om iets negatief te benaderen, zoals met angst, schuldgevoel of boosheid),
Extraversie (de neiging om graag met mensen om te gaan, actief te zijn, veel te praten en opwinding op te zoeken),
Altruïsme (de neiging om meegaand, zorgzaam, bescheiden en betrouwbaar te zijn),
Consiëntieusheid (de neiging om georganiseerd, gedisciplineerd, doelgericht en ambitieus te zijn) en
Openheid (deze factor bevat intellectuele autonomie, verbeeldingskracht, esthetiek, nieuwsgierigheid, gevoelens).
Op internet kun je verschillende gratis testen vinden warme je jouw Big 5 scores kunt bepalen.

De proactieve persoonlijkheid in relatie tot Big Five

In 1992 toonde In 1993 legden Bateman en Crant al de relatie tussen proactieve persoonlijkheid en ‘Big Five’ facetten om te zien of zij van daaruit konden voorspellen hoe gemotiveerd mensen zijn om te leren en zich te ontwikkelen. De proactieve persoonlijkheid (gedefinieerd als de relatief stabiele neiging om situaties, omstandigheden of de omgeving te veranderen) bleek in het onderzoek van Bateman en Crant significant te correleren met de factoren consiëntieusheid en extraversie. Voor openheid gold dat in mindere mate, maar in later onderzoek (2006, Major et al.) bleek openheid wel sterker te correleren. Neuroticisme en altruïsme  correleerden in beide onderzoeken negatief met de proactieve persoonlijkheid. We mogen daarom zeggen dat hoe meer mensen regelmatig gedrag laten zien dat we kunnen toeschrijven aan extraversie, consiëntieusheid of openheid, hoe groter de kans is dat zij ook proactief zullen zijn. Dat hoeft dus niet persé. Proactiviteit kan er in potentie wel in zitten, maar je hebt er niets aan als het er niet uit komt.

In hoeverre potent aanwezige eigenschappen werkelijk in gedrag tot uiting kunnen komen is onderzocht door Wendong Li. Deze specialist op het gebied van proactiviteit én het gebied op het grensvlak van genetica en organisatiegedrag vond, via onderzoek bij tweelingen, dat gedragsverschillen tussen individuen voor 40% te verklaren zijn uit hun genetische profielen en voor 60% uit omgevingsfactoren. Met andere woorden: in potentie aanwezige proactiviteit zal, wanneer de omgeving meewerkt, maximaal tot uitdrukking kunnen komen en anders, wanneer de omgeving niet meewerkt, hooguit voor 40%.

Voor leidinggevenden en HR-werkers zijn dit belangrijke bevindingen indien de organisatie streeft naar medewerkers die proactief zijn. In de eerste plaats kunnen zij selecteren op de eigenschappen extraversie, consiëntieusheid en openheid. In de tweede plaats kunnen zij de omstandigheden creëren die proactiviteit optimaal tot uitdrukking kan laten komen. Dat zijn, zo blijkt uit ander onderzoek, vooral de vrijheden om zelf invulling aan hun baan te geven en voldoende uitdagingen. In een volgend blog zal ik daar op ingaan.