In twee vorige blogs gaf ik aan dat ik verder zou ingaan op manieren om te achterhalen wat drijvende motieven achter het gedrag van medewerkers zouden kunnen zijn. Om dat begrijpelijk te maken, moet ik echter eerst inzoomen op het gedrag zelf. Uiteraard geldt dat wat ik hier schrijf niet alleen op medewerkers van toepassing is, maar op mensen in het algemeen.

De ijsbergtheorie

De Amerikaanse psycholoog McClelland vergeleek het gedrag van mensen met ijsbergen. Bij een ijsberg steekt iets meer dan 10% boven het oppervlak. McClelland vergeleek dit zichtbare deel met ons zichtbare gedrag. Datgene dus wat we aan kennis etaleren, aan vaardigheden hebben en in gedrag laten zien. Dat zichtbare gedrag ‘steunt’ echter op de emoties, motieven, principes en overtuigingen die wij van binnen hebben. Dat deel is niet zichtbaar. Het is te vergelijken met het ijsbergdeel onder het wateroppervlak. Van dit deel zijn de meeste mensen zich niet eens bewust dat het hun doen en laten zo sterk bepaalt. Men schat wel dat 80-90% van ons gedrag onbewust gedrag is.

Patroongedrag

We doen dingen dus vaak op gevoel of uit gewoonte. En dezelfde dingen dan meestal ook nog op eenzelfde manier. Dat is aan de ene kant heel efficiënt, omdat we dan gebruik maken van ervaringen en niet telkens een nieuw wiel hoeven uit te vinden. Aan de andere kant remt dit het aanleren van nieuw gedrag. Waarom zouden wij iets op een andere manier uitvoeren als het altijd goed ging? Het gevolg is dat ons leven voor het overgrote deel bestaat uit handelen en denken volgens patronen.
Die patronen zijn ook biologisch verklaarbaar. In onze hersenen gaan prikkels door neuronenbanen. Die neuronenbanen zijn voor het grootste deel functioneel geclusterd. Zo zijn er gebieden die te maken hebben met taal, met het verwerken van zintuigprikkels, met het aansturen van onze ledematen enzovoorts. Hoe vaker die gebieden worden geprikkeld, hoe meer ze zich ontwikkelen en hoe gemakkelijker wij dit weer in ons gedrag tot uiting laten komen. Het aanleren van nieuw gedrag heeft dus veel te maken met het aanleggen van nieuwe neuronenbanen of het versterken van bestaande.

Gedrag in kaart

Dat mensen volgens patronen leven was men ook in de tijd van de Romeinen al opgevallen. Claudius Galen, een Griekse ‘medicus’ in Romeinse dienst, geloofde dat mensen van elkaar in gedrag verschilden doordat de verhoudingen van de vier lichaamsvloeistoffen bloed, flegma, gele en zwarte gal in ieder mens anders lagen. Had je een kort lontje, dan was je van het vurige of sanguinische type, was je pessimistisch dan had je te veel zwarte gal. Anders was je hoofdzakelijk melancholisch of flegmatisch.

Sindsdien hebben velen pogingen gedaan om menselijke trekken in een systeem in te delen. Bekende, maar niet wetenschappelijk onderbouwde, methoden zijn die van de horoscoop en het enneagram. Wetenschappelijke vooruitgang boekte de beroemde psychoanalyticus C.G. Jung. In 1921 beschreef hij vier gedragsstijlen, gebaseerd op de wijze waarop mensen met hun omgeving omgingen: intuïtie, voelen, denken en beseffen. Dat bleek een goede basis voor verdere ontwikkeling. De meest bekende modellen, die vanaf de jaren ’60 ontstonden zijn MBTI, Big-5 en DISC. Een eenvoudige DISC-test vind je hier.

D.I.S.C.

Het DISC model is goed te begrijpen via een grafische weergave . Ik geef de voorkeur aan een in sectoren verdeelde cirkel, waarbij in elke sector bepaalde gedragskenmerken ‘huizen’. De vier hoofdkwadranten hebben als naam de voorletter gekregen van de trekken Dominance, Inspiring, Supporting en Conformity. Je kunt het ook zien alsof gedragstrekken die als vectoren vanuit een middelpunt uitwaaieren  over de 360 graden van een cirkel. De lengte van de vector geeft de intensiteit van het gedrag weer. De hoek met de X-as het soort gedrag. Door de intensiteitswaarde voor zo veel mogelijk gedragsvectoren te meten en in de cirkel weer te geven, ontstaat een gedragsprofiel.

ProefielvoorbeeldGedragsprofielen geven vooral gedragsvoorkeuren aan. In het voorbeeldprofiel zal deze persoon zich dus bij voorkeur ondersteunend opstellen, maar er zullen zeker omstandigheden zijn waarin dominant gedrag wordt getoond. Zoals een leraar, die leerlingen graag helpt, maar ook orde in de klas moet houden. Werkelijk vertoond gedrag is daarom altijd afhankelijk van specifieke condities en de behoefte of noodzaak om zich daaraan aan te passen of anderszins op te reageren. Daarover vertel ik in een volgende blog meer.